Levensduurbenadering

Assetmanagement richt zich op de gehele levensduur van een object. Behalve de levensduurkosten spelen de prestaties en risico's een cruciale rol bij afwegingen rond het beheer van objecten. Assetmanagement maakt het mogelijk om maatregelen voor de korte termijn in een langetermijnperspectief te plaatsen.

Bij de afweging of bijvoorbeeld de verharding van een wegvak moet worden vervangen, spelen uiteenlopende belangen een rol. Niet vervangen betekent lagere kosten op de korte termijn, maar ook minder comfort en mogelijk minder veiligheid. Als deze nadelen acceptabel zijn binnen de strategische doelen, slaat de balans door naar uitstel van de vervanging, ook al verkeert de weg dan technisch gezien voorlopig niet in optimale staat.

Het is ook denkbaar dat de staat van het wegvak niet langer acceptabel is, maar dat het wegvak na uitvoering van extra onderhoud nog een paar jaar mee kan zonder dat de veiligheid in het geding komt. In dat geval moet met een levensduurkostenberekening worden aangetoond dat de extra kosten van onderhoud (een risicobeheersmaatregel) opwegen tegen uitstel van vervanging. Dit soort overwegingen zijn een vorm van risicomanagement. Inspectiegegevens dienen beslissingen te ondersteunen.

Bij de levensduurbenadering moet ook vooruit worden gekeken. Het liefst zo ver mogelijk. Dan kan bijvoorbeeld blijken dat de weg na een paar jaar een andere functie krijgt, waardoor de technische eisen veranderen. Dit gegeven heeft uiteraard invloed op de afweging van de onderhoudsbehoefte in relatie tot kosten, prestaties en risico's. Om een juiste afweging te kunnen maken, is het noodzakelijk dat het beheer integraal wordt opgepakt met alle betrokkenen.

Total Cost of Ownership (TCO)

De levensduurkosten bestaan uit ontwerpkosten, aanlegkosten, exploitatiekosten (gebruik en beheer) en sloopkosten. Het ontwerp bepaalt waar het zwaartepunt van de kosten ligt. Een onderhoudsarm ontwerp leidt in de regel tot hogere investeringskosten (zie onderstaande figuur, bron: Jan Blom). De te maken afweging is afhankelijk van het gebruik. Daarbij spelen vragen zoals: moet het object zo lang mogelijk meegaan of hoeft het niet langer dan 15 jaar te functioneren? En: tot hoeveel overlast mag het beheer leiden? Door de totale levensduur in ogenschouw te nemen, inclusief de sloopfase (die onder meer bepalend is voor het materiaalgebruik), kan een onderbouwde en rationele afweging worden gemaakt. Bedenk wel dat de keuze altijd moet passen binnen de strategische doelstellingen van de organisatie. Stel dat duurzaamheid hoog in het vaandel staat en het gekozen materiaal is alles behalve duurzaam, dan is de ontwerpkeuze niet goed.

tco.jpg

Theoretische en werkelijke levensduur

De levensduurbenadering is gebaseerd op een theoretische levensduur van een asset. Er is immers nooit volledig bekend hoe een object in de (verre) toekomst zal worden gebruikt en hoe het zich dan zal gedragen. Daarom moet telkens een inschatting worden gemaakt van de verwachte restlevensduur. Om dit goed te kunnen doen, zijn een analyse van historische gegevens en tijdig uitgevoerde inspecties nodig. Ook moet steeds een nieuwe inschatting van de risico’s worden gemaakt. Verder is een kostenberekening nodig om te bepalen of de economische levensduur eerder wordt bereikt dan de technische levensduur.

Overigens is het enkele gegeven dat een asset 'in theorie oud is', geen reden om tot vervanging over te gaan. Dat is pas aan de orde als de kwaliteit het gewenste functioneren van het object in gevaar brengt. Of beter gezegd, als de gebruikers onaanvaardbaar risico lopen of de exploitatieuitgaven (risicobeheerskosten) onacceptabel hoog worden.

 

Scroll naar boven